Liefde voor ziekenhuizen - Robert van der Wolk

Liefde voor ziekenhuizen

Het was stil. Ijzig stil. Dat wil zeggen, alles was zo kraakheldder, dat je in de kou een speld en scheur in het ijs kon horen maken als je het liet vallen. Geen ziel aanwezig. Enkel ikzelf. In een veraten omgeving, zo leek het, was eer in eerste instantie genoeg om door afgeleid te worden, maar door de vloedgolf aan gedachtes werd het stil. IJzig stil. En daarmee verdween de wereld buiten mij ook.

Het was net alsof je op een winterochtend uit je bed stapt en merkt dat je raam wagenwijd openstaat. Een frisse windvlaag die je warme lijf verwelkomd. De eerste kan je nog hebben, daar voel je niet veel van. Maar die anderen die daarna komen zorgen er al snel voor dat je lichaamstemperatuur vluchtig zakt. Binnen de kortste keren sta je te rillen van de kou en spring je of weer je fijne bed in, of onder een warme douche.

Voor mij was het precies dat. De koude rillingen die over mijn rug streken, alsof ik net uit bed kwam, die zorgde voor de ijzige kou. Ik voelde me misselijk worden. Mijn maag omdraaien en mijn slokdarm antiperistaltische bewegingen maken. Kotsen. Maar ik had nog niets gegeten, dus er was ook niets om uit te kotsen. Ja gal misschien. Maar dan weet je ook dat je slokdarm en je luchtpijn naar de klote gaat. Het zware zuur dat langzaam maar zeker naar boven kruipt en als een slak een spoor achterlaat tot het je mond bereikt heeft. Ik heb wel eens een week lang gal gekotst, en naast het feit dat je er totaal uitgeput van raakt, ben je voor de rest van je leven ‘gebrandmerkt’. Dat wil zeggen, dat op het moment dat je een oprisping voelt komen of over je nek gaat, teruggeslingerd wordt naar die periode dat je gal kotste. Zo’n heftige ervaring vergeet je van je leven niet meer.

Overal gingen er slangen in en uit en waren er apparaten waarvan ik slechts de functie ervan kon fantaseren. Een monitor gaf piepjes en de, een paneel met knopjes en lichtjes. Genoeg elektronica om de Centrale Bank mee te hacken, dacht ik nog. En het was er stervensheet. Vreemd eigenlijk, want ik had het zelf ijzig koud. De thermostaat zou zeker 26 graden aangeven, en terwijl ik daar met een T-shirt met lange mouwen, een lamswollen trui en mijn winterjas met dubbele voering aan nog steeds zat te rillen van die ijzige kou, bedacht ik me dat anderen hier in hun zwembroek zouden moeten zitten.

Hoe kon ik nou voor schone schijn spelen als ik wist waar ik was, en wat er stond te gebeuren. En dan die lucht, die vreselijke lucht. Alleen dat al zou een signaal moeten afgeven dat er iets niet pluis was. Een mix van rottende karkassen, bedorven eten en verse poep. Je weet wel, die poep die nog urenlang voor je gevoel blijft hangen in de ruimte waar je bent, ook al is het uren geleden dat je in die drol bent gaan staan. In de hoop dat niemand anders het ruikt doe je in het begin nog verwoede pogingen om het van onder je schoen vandaan te krijgen, maar na verloop van tijd lijkt het wel alsof je neus het heeft geaccepteerd als iets wat bij jou hoort. Dan ruik je het niet meer. Dan is het weg. Totdat je ’s avonds je schoenen uitdoet. Als je je voorover bukt om je veters los te maken, dan komt die geur ineens weer de kop opsteken. Dan blijft die geur ook weer urenlang bij je. Overal waar je in je huis loopt ruik je het, totdat je er zo gek van wordt, dat je vlak voordat je eigenlijk naar bed had willen gaan in je pyjama je schoenen pakt en met de afwasborstel de nog verse geurige stront van je schoenzolen schraapt.

Ook dan heb je soms wel eens het gevoel dat je moet kotsen. Gelukkig sta je voor de wasbak, zodat je in het ergste geval daar nog alles in kan gooien, maar tegelijkertijd heb je de wetenschap dat je afvoer de chunks van je avondeten niet kan verwerken en dat het zal verstoppen. Dat je wasbak oranje en geel uitslaat en dat je het met geen mogelijkheid doorgespoeld krijgt, hoe erg je ook je best doet om het met water weg te spoelen. Dat je weet dat je dan na al die verwoede pogingen in je pyjama ook nog eens met je handen mag gaan zitten wroeten in je eigen met kotst gevulde wasbak, terwijl de met verse stront besmeurde kakschoen naast je op het aanrecht staat, tezamen met de stinkende bruine afwasborstel waar je morgen eigenlijk ook nog je afwas mee wilde doen.

Het was zo’n dag. Zo’n dag dat je liever in je bed zou willen blijven liggen slapen. Open raam of niet. In bed is het warm. En daar is het veilig. Daar kun je altijd nog in slaap vallen en verdwijnen naar waar dan ook. Naar plekken waar je nog nooit geweest was en waar je waarschijnlijk ook nooit zult komen. Naar plekken die niet bestaan en waar je omringd bent door mensen die je wel of niet kent, maar waar je je altijd veilig voelt. Zo’n droom waarvan je weet dat het een droom moet zijn terwijl je hem droomt, maar waarvan je niet wilt dat je er uit wakker wordt.

Maar dat was het allemaal niet. Ik leefde niet in een droom. Ik was niet veilig. Ik stond in een ruimte waar ik het ijzig koud had en waar de temperatuur inmiddels tot boven de 28 graden uit moet zijn gestegen. Ik was in een wereld waar ik omringd was door enge apparaten die in mensen werden gestoken en waar je omringd werd door pijn en angst. Die voerden hier de boventoon. dat voelde ik al toen ik binnenkwam.

Soms heb je dat gevoel. Een soort intuïtie of instinct. Dan weet je zonder dat je het hebt gevraagd of dat iemand het heeft gezegd wat er is. Alsof er een soort energie hangt die universeel voelbaar is. Waar je gelijk merkt hoe laat het is, om het maar zo te formuleren. Want vaak is dat gevoel onprettig. Zwaar, beladen. Als een baksteen die in je buik wordt gegooid en die daar op je maag blijft liggen.

Ongemakkelijk buig ik me voorover, met mijn jas, trui en T-shirt met lange mouwen nog aan. Pak ik een hand vast en voel ik dat ook die ijzig koud is. Maar ook zacht. Bijna zo zacht als de hand van een kind dat nog geen zware fysieke arbeid heeft geleverd. Een hand waarbij het eelt op de handpalm zelfs nog zacht is. Bij de vingertoppen zie ik dat er vuil onder de nagels zit en dat doet mij vermoeden dat er al in geen dagen een druppel water of zeep bij in de buurt is gekomen. Overal steken slangen in en uit, en ook in deze hand zit onder het gaasverband een slangetje dat de hand ingaat.

Ik voel de vingers samentrekken en poogt om het mijne vast te pakken. Alsof het vraagt om gered te worden. Letterlijk vragen om een helpende hand, maar dan anders. Met de kracht die het in zich heeft, zich vastklampend aan mijn hand, en als het merkt dat dat niet lukt, nog een laatste verwoede poging doet om met de vingers zich vast te houden aan mijn vingers. Als een ouder dat van zijn kind wordt gerukt door soldaten. Als een geliefde die zijn liefde vaarwel moet zeggen op het station terwijl de trein langzaam vaart begint te maken. Niet willen loslaten, maar toch gedwongen worden om dat te doen. Die kracht die tussen die twee handen zit, die zo duidelijk voelbaar is, maar waar geen ene moer aan te doen is. Waar je machteloos bij staat en alles moet aanzien hoe het langzaam maar zeker verzwakt. Hoe die hand het in kracht afneemt en worstelt om te overleven. Als een wild dier dat door jagers geschoten is en nog zijn laatste verwoede pogingen doet om te ontsnappen aan het onvermijdelijke.

Het is dat moment, dat ik in die ijzige kou, in de lucht van rottende karkassen, bedroven eten en poep, in het misselijkmakende onderbuikgevoel van angst en pijn, en in de wereld waarin je niet kunt vluchten in dromen, het is in die wereld dat ik me bedenk dat ik nooit meer in een ziekenhuis wil zijn.

Ik laat de hand los, als in een realisatie dat ik hier weg moet. De verkramping is opgehouden en de koude hand is inmiddels bevroren, zo lijkt wel. Geen sjoege. Geen energie meer. Niets. En ik ben alleen. Alleen in de ijzige kou.

Je mening telt
Deel dit artikel
Robert
 

Robert van der Wolk is internationaal spreker, trainer en life-coach. Met diverse boeken, eBooks en honderden artikels helpt hij mensen met een fysieke uitdaging om een onbegrensd leven te creëren. Met een lange geschiedenis aan fysieke beperkingen, waaronder Diabetes, nierfalen en extreme slechtziendheid weet Robert als geen ander hoe het is om met een fysieke uitdfaging te leven, waar grenzen verlegd kunnen worden en welke tools er nodig zijn om toch in een ultieme vrijheid te leven.

>