Het Verleden Is Niet Het Heden Of De Toekomst - Robert van der Wolk

Het Verleden Is Niet Het Heden Of De Toekomst

 

De spanning is duidelijk merkbaar. Ik word er zo misselijk van, dat ik voel dat ik bijna moet overgeven. Wat is dit? Het is half twaalf, en ietwat nerveus heb ik me de afgelopen uren beziggehouden met honderd dingen om mijn aandacht maar even, al was het maar voor een minuut, af te houden van wat ik al dagen in mijn hoofd laat ronddolen als gedachtes.

Met nog een paar uur op de klok weet ik dat het verstandig is om naar bed te gaan, maar ja, slapen lijkt iets wat nu helemaal niet makkelijk en ontspannen gaat. Ik voel me alleen. En het liefst zou ik nu tegen iemand aanliggen en me laten troosten door een borst, waaronder ik een liefdevol en warm hart kan horen kloppen.

7 minuten voor half twaalf besluit ik uiteindelijk toch iets te doen. Zoals zovelen van ons doen als we het niet meer weten: ik bel mijn moeder. Na een paar tellen wachten hoor ik aan de andere kant van de lijn een zojuist door de telefoon wakker gemaakte moeder en even voel ik me bezwaard omdat ik haar uit haar slaap heb gehaald. Dat gevoel verdwijnt al gauw, want het lijkt in een ogenblik, dat mam mijn state aanvoelt en direct zitten we op één golflengte.

Bijna een uur zitten we aan de telefoon. In stilte, of af en toe wat zeggend. Ik weet dat zij er morgen niet bij kan zijn, en ik ben blij en dankbaar dat ik daarom dit moment met haar kan delen. Ha, ter afleiding vraagt ze zelfs nog wat ik vandaag allemaal gedaan heb. En hoewel ik weet wat ze doet, besluit ik met haar mee te gaan en geef een zo uitgebreid mogelijk antwoord als ik kan.

Half zes gaat al weer de wekker, want om kwart over acht moet ik op de tweede verdieping zijn van het ziekenhuis. Het is al weer bijna vijf jaar geleden dat ik voor het laatst in het ziekenhuis ben geweest. Ja, op de controlebezoeken na dan. En hoewel ik weet dat mijn ervaringen uit het verleden niet gelijk staan aan die van het nu, gaat er toch een hoop door me heen; dat wat me (dagelijks) nog herinnert aan mijn vorige ervaringen daar…

Ik focus me op andere dingen. Een naakte vrouw (één specifiek in gedachten) werkt bij mij meestal wel goed, en ik concentreer me op het beeld wat ik in mijn geheugen heb. Met dat beeld sluit ik mijn ogen en vat ik uiteindelijk mijn benodigde slaap.

Nog een keer word ik wakker. Ergens midden in de nacht en zodra ik wakker ben schiet gelijk min aandacht weer naar dat wat me zometeen te wachten staat. Nog een paar uur. Ik moet er om kwart over acht zijn, en ik vrees dat ik, wanneer ik over een paar uur, weer wakker word, nog erg moe zal zijn vanwege het gebrek aan slaap en nachtrust.

Half zes gaat dan inderdaad de wekker, en ik druk tot vijf keer toe op snooze om tenslotte om vijf niuten voor zes maar uit bed te stappen. De warme douche voelt goed aan en ik blijf dan ook langer dan noodzakelijk eronder staan, om als het ware mijn geachten, emoties en andere zorgen van me af te laten glijden.

‘Nuchter’ hadden ze gezegd, maar mijn behoefte aan een kop thee is daarvoor te groot, en koppig als ik soms kan zijn besluit ik een flinke mok vol te gieten met kokend heet water en er een zakje kamillethee in te dompelen.

Wanneer het half acht is, pak ik mijn spullen bij elkaar – mijn iPod, medicijnen, papieren – en trek ik de deur achter me dicht.

Het is een bizarre treinreis naar het ziekenhuis. Hoewel het vroeg in de ochtend is voor mij zijn er toch al best veel mensen op straat. En het besef dat ik langzaam aan dichter en dichter kom tot het ziekenhuis waar ik geopereerd zal worden roept niet alleen kriebels op, maar ook een zeker gevoel van misselijkheid. De Zen-muziek op mijn oren doet daar nog enigszins afbreuk aan, maar ik merk toch dat het me niet makkelijk afgaat.

De geur van het ziekenhuis is onherroepelijk herkenbaar. Wanneer ik langs de stinkende kiosk kom, schiet er een van vele herinnneringen door me heen; hoe ik hier jaren terug gelegen heb. Van de begane grond waar de Eerste Hulp zich bevind, tot en met de zesde verdieping – de Intensive Care.

Ik besluit de trap te nemen naar de tweede verdieping, om zo bewust me voor te bereiden op wat er komen gaat. Wanneer ik bij de balie aankom zie ik in de lange hal een aantal zusters hun ronde doen om de daar liggende patiënten te voorzien van hun medicijnen. Even later wordt ik meegenomen naar een zaal die ze denk ik de pre-operatiekamer noemen. Ik word geïnstrueerd om mijn kleren uit te doen en een lichtblauw OK-jasje aan te trekken – knopen aan de achterkant. Tien minuten later lig ik in het ziekenhuisbed, met een opnamepolsbandje om mijn arm en mijn iPod op mijn schoot. En hoewel ik denk dat ik binnen enkele minuten met de lift naar de operatiekamer gereden wordt, blijkt dat ik eerst nog een infuus mag krijgen, gezien mijn ietwat verhoogde bloedsuiker.

Ondanks dat het een routinehandeling is en moet zijn, weet ik dat sommige bloedvaten van mij niet geschikt zijn om een infuus aan te leggen, en ik ervaar dan ook behoorlijk wat onaangename pijn als de zuster de lange infuusnaald in mijn hand wurmt. Na wat heen en weer geduw geeft ze het toch eindelijk op en trekt ze het ding er weer uit. Pijn voor niets dus. Hoewel ik niets zeg, schieten er van alle gedachtes door me heen. ‘Zie je wel…!’ en ‘begint ’t nu al lekker…’

Tot mijn verbazing krijg ik na een goed kwartier wachten te horen dat er boven een infuus wordt aangelegd. Door de anesthesist zelf. In ieder geval beter, want die weten zeker hoe ze moeten prikken.

Ondanks dat ik onder dekens lig, ril ik. Van de spanning. Nu gaat het echt gebeuren. Twee zusters rijden me met bed en al naar de vierde verdieping, alwaar ik in een steriel ruikende ruimte kom, waar medici in groene jassen en hoofddeksels op deze vroege ochtend hun ronde doen. De twee zusters parkeren me tussen een leeg bed aan de ene kant en een bed met een man van middelbare leeftijd aan de andere kant.

De dienstdoende anesthesist heet Mike, zo vang ik op, en hij komt uit Britain, wanneer ik er naar vraag als hij mijn arm bekijkt om het infuus aan te leggen. Blijkbaar heb ik goede aderen, want deze Mike prikt vrijwel pijnloos het infuus bij me, en maakt ondertussen een kort praatje met me, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Voor hem, zo besef ik later, is dit de normaalste zaak van de wereld…

Ik schat dat het half twaalf is inmiddels, als ik binnengereden wordt op de operatiekamer. Inmiddels heb ik mijn oordopjes maar in mijn oren gedaan, want als ze zo bezig zijn heb ik maar één hand beschikbaar, en je weet hoe lastig het is om met één hand twee oordopjes in te doen!

Als een idioot lig ik te rillen, enerzijds omdat het best fris is op de OK, maar aan de andere kant ook omdat de zenuwen gieren door mijn lijf. Ter ontspanning vraag ik toch maar naar iets – ook al had ik op de tweede verdieping de paracetamol en dormicum geweigerd (ik ben geen fan van pillen).

Vrijwel direct nadat het middeltje in mijn infuus is ingespoten merk ik het effect ervan. Ik voel me lichtelijk high en het duizelt in mijn hoofd. Op bijna datzelfde moment wordt ik overgeheveld van het ziekenhuisbed naar de operatietafel en vraagt een van de rondlopende mensen daar of ik mijn arm omhoog wil doen. Ik voel wat prikjes in mijn oksel, niet echt onaangenaam, maar net zo min plezierig. Een schok van verlamming schiet letterlijk door mijn arm heen, als een voor een de zenuwbanen worden verdoofd door de injecties. Voelt raar. Als een soort lichte elektroshock. Binnen enkele minuten is mijn gehele arm verdoofd en voel ik niets meer.

Wanneer de operateur vraag of ik nog iets van gevoel heb in mijn arm, reageer ik dat ik niets voel. “Mooi”, zegt ze. “Want er zit nu al een flinke snee in je arm” Wow! Daar schrik ik wel even van. Direct zet ik mijn iPod aan en focus me op de Zen-muziek die langzaam begint te spelen.

Zo nu en dan pauseer ik mijn iPod om te horen waar de operateurs – het zijn er twee – het over hebben. Helaas is mijn medisch jargon nogal beknopt en snap ik maar gedeeltelijk waar ze het over hebben. Wanneer het te bloederig of gedetailleerd wordt, druk ik snel weer op Play om mijn aandacht van dit alles af te leiden.

De Zen-muziek heeft al lang geen effect meer, vanwege de té basale tonen. Ik heb meer afleiding nodig, en zoek mijn heil in melodieuze Franse rapmuziek. Dat helpt. Toch hoor ik, wanneer ik mijn iPod voor de zoveelste keer pauseer, de operateur zeggen dat ik fantastische bloedvaten heb. Ietwat gekscherend zeg ik zachtjes “Graag gedaan”, waarop zij reageert met ‘De patiënt zegt wat”.

Ik schat dat er zo’n twee uur voorbij gegaan zijn. Lastig te zeggen zonder klokken. En ook al waren die er wel, dan had ik hem waarschijnlijk niet kunnen zien! Maar toch voel ik in mijn arm dat het er op zit; er wordt aan getrokken. Mee gerommeld. Eén van de anesthesisten laat me weten dat ze de boel aan het dichten zijn en hoewle dat niet echt fijn is om het op zo’n manier te horen , ben ik blij dat het er op zit.

Langzaam maar zeker schuif ik mezelf met verlamde arm aan de ene kant en infuus aan de andere kant van de operatietafel naar een ziekenhuisbed, alwaar ik gereden word naar de uitslaapkamer. Ik ben echter klaarwakker.

Hier blijf ik dan ook niet echt lang, en binnen een uur mag ik alweer twee verdiepingen omlaag. Dezelfde zuster die tevergeefs het eerste mislukte infuus aanprikte vraagt nu aan me of ik iets lust. Tja, een kopje thee zou er wel in gaan, want ik heb me toch een droge bek! En een hapje zou ik ook wel lusten. Hoe laat is het eignelijk?

Het is klokslag half drie als zowel mijn lunch als mijn eigen internist/specialist de zaal opkomen. Bizar eigenlijk, want ik heb gemerkt dat veel mensen zo geconditioneerd zijn dat ze enkel een hand met rechts geven, ook als ze zien dat de ander daartoe niet in staat is. “Het is goed gegaan” zegt hij, terwijl ik mijn eerste hap neem van mijn met jong belegen glutenvrije boterham. ‘Ik hoop het wel. Ik voel nog niets, dus ik kan er niets van zeggen’ reageer ik. De verdoving van de operatie is nog steeds niet uitgewerkt, en ik lig hier met een arm waar ik dus nog steeds geen gevoel in heb.

Na de uitleg wat ik wel en niet mag doen, en hoe ik mijn hand en arm langzaam weer wat mag gaan oefenen, geef ik wederom met links een hand (en krijg een rechterhand terug) en eet de laatste stukjes van mijn lunch op. Binnen een aantal minuten wordt ook het infuus eruit gehaald en krijg ik te horen dat ik ontslagen wordt.

Een half uur later ligt mijn arm in een mitella en trek ik met één hand mijn sokken aan als een doorgewinterde eenarmige sokkenaantrekker. Ik ben blij dat ik naar huis mag, want ik heb hier nu al bjna een volledige werkdag doorgebracht. Wanneer ook mijn schoenen aan zijn (de zuster heeft me daarbij geholpen) zeg ik iedereen gedag en loop vlot richting de trap. Nog even wat administratie regelen op de eerste verdieping en ik kan de trein weer richting Haarlem pakken.

Helaas dat mijn lijf daar anders over denkt. Wanneer ik namelijk bij de balie mijn nieuwe afspraken sta te maken, begint het langzaam maar zeker zwart te worden voor mijn ogen en zoek ik als een blinde tastend langs de muur naar een stoel om op te zitten. Ik krijg het spaansbenauwd en voor een seconde of vijf is er geen beeld noch geluid. Uiteindelijk kom de assistente van min internist naar me toe gelopen en vraagt of het wel gaat. Als ik uitleg wat er gebeurd is, loopt ze weg om even later terug te komen en me mee te delen dat ze  overlegd heeft met de internist, en dat hij toch nog even een scan van me wil laten maken. Ah, shit, niet nog langer hier!

In een rolstoel wordt ik gereden naar de Eerste Hulp alswaar ik van alle kanten bekeken wordt, plakkers op mijn lijf krijg, stethoscopen op mijn longen en rug, bloeddrukmeters aan mijn arm en Joost mag weten wat nog meer. Dik een uur blijf ik daarom uiteindelijk te horen dat het allemaal oké is, gezien de omstandigheden. Bij de dienstdoende dokter daar leg ik nog uit dat het best kan komen doordat ik bijna de hele dag al IN bed heb gelegen en ik er nu nog geen uur uit ben. Kennelijk klinkt dat aannemelijk, want ik mag na de binnenkomst van de uitslagen eindelijk toch naar huis.

Het is bijna half zes als ik de sleutel in mijn voordeur doe. Moe, maar wel blij dat dit achter de rug is, loop ik de trap op om neer te ploffen op mijn stoel voor de televisie. Ik kijk zelden televisie, maar vandaag vind ik dat ik wel wat ontspanning en afleiding heb verdiend.

Tijdens een van de vele reclameblokken realiseer ik me dat dit pas fase één was, en dat er nog wel wat meer zullen volgen. Verband eraf, pleister verschonen, hechtingen eruit. Nee het is nog niet gedaan. En wederom voel ik spanning in mijn lijf. Dat lijf dat in de afgelopen 28 jaar al flink wat te verduren heeft gehad. ’t Is zo geconditioneerd dat enkel bij de gedachte van iets wat aan een ziekenhuis is gerelateerd het al adrenaline en spanning doet vrijkomen.

Nee, ook al kan ik met mijn mind toch nog zo goed beseffen dat het verleden anders is dan het heden of de toekomst, mijn lijf heeft als enige houvast de ervaring van wat er in het verleden is gebeurd, en als er iets gelijkends in het heden of de toekomst gebeurt of gaat gebeuren, dan schiet het gelijk in tension-modus. Dit gevoel zit toch echt wat lagne dieper dan de dagelijkse huis-, tuin- en keukenproblematiek. Hier ga ik mee aan de slag, dat is zeker. Want zo’n dergelijke trigger hoef ik niet elke keer als ik een ziekenhuis binnenloop.

Dit kan ik veranderen, en dat wil ik ook. Dus de enige verstandige conclusie is dat ik dan ook maar beter kan doen.

The past doesn’t equal the present or the future!

Op jouw succes,

Robert

Je mening telt
Deel dit artikel
Robert
 

Robert van der Wolk is internationaal spreker, trainer en life-coach. Met diverse boeken, eBooks en honderden artikels helpt hij mensen met een fysieke uitdaging om een onbegrensd leven te creëren. Met een lange geschiedenis aan fysieke beperkingen, waaronder Diabetes, nierfalen en extreme slechtziendheid weet Robert als geen ander hoe het is om met een fysieke uitdfaging te leven, waar grenzen verlegd kunnen worden en welke tools er nodig zijn om toch in een ultieme vrijheid te leven.

>